Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Er is een aantal verschillen tussen het Noors en het Nederlands dat transferfouten kan veroorzaken wanneer een kind met Noors als moedertaal Nederlands leert. Hier moet dus rekening mee gehouden worden wanneer er onderzoek wordt gedaan naar een eventuele taalontwikkelingsstoornis bij het kind. Hieronder staan per deelgebied (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) kort de verschillen weergegeven. Voor uitgebreidere informatie over het Noors kan paragraaf 2 geraadpleegd worden.
Prosodie Het Noorse klinkersysteem is vergelijkbaar met dat van het Nederlands. Alleen de 'o' (/u/ in Noors) is wezenlijk verschillend, de andere klinkers worden iets anders gemaakt maar zijn vergelijkbaar. In het Noors wordt de 'y' alleen als klinker gebruikt; een woord als 'yoga' zal voor een Noor dus moeilijk uit te spreken zijn. De Nederlandse tweeklanken 'eu', 'ei', 'ij' 'ui' 'ou' 'au' zullen lastig zijn voor Noorse kinderen die Nederlands leren. Ook wordt een groot aantal medeklinkers anders uitgesproken, waardoor het oplezen van woorden voor problemen kan zorgen. Verder is de klemtoon in het Nederlands relatief onvoorspelbaar. Wanneer Noorse kinderen problemen hebben met deze aspecten, hoeft dit dus niet op een TOS te wijzen.
Morfologie Omdat het lidwoordensysteem anders in dan in het Nederlands, is te verwachten dat Noorse kinderen de Nederlandse lidwoorden weglaten en er fouten mee maken, vooral bij de lidwoorden van het lijdend voorwerp en bij bepaalde lidwoorden. De genitivus en het werkwoordensysteem zijn vergelijkbaar met het Nederlandse systeem, dus hier worden geen transferfouten bij verwacht.
Syntaxis Hoewel de standaardvolgorde in het Noors hetzelfde is als in het Nederlands, is er een aantal verschillen bij complexere zinnen. Bij zinnen met negatie en nominale possessieven kunnen fouten worden verwacht omdat men bij deze zinnen in het Noors de keuze heeft of een VS- of een SV-volgorde gebruikt wordt. Bij zinnen met een infinitief worden ook volgordefouten verwacht, omdat het object in het Noors achteraan de zin staat. Negatieve transfer zorgt dan voor zinnen als 'ik kan niet horen jou'.
Pragmatiek Kleine verschillen in de cultuur kunnen ertoe leiden dat Noorse kinderen in het Nederlands onbeleefd of kortaf overkomen, omdat ze niet de juiste sociaal wenselijke aanspreekvorm gebruiken. Op dit kleine verschil na is het pragmatische gebruik van taal in Noorwegen vergelijkbaar met het Nederlands.
Wanneer bovenstaande aspecten fout worden gedaan door Noorse kinderen die Nederlands leren, hoeft dit dus niet te duiden op een TOS.
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Naast bovenstaande transferfouten is er een aantal problemen bij Noorse kinderen die Nederlands leren dat wel vaak duidt op een TOS. Onderstaande lijst bevat vragen die aan de ouders of tolk gesteld kunnen worden om te achterhalen of er sprake is van een taalontwikkelingsstoornis. Wanneer deze vragen bevestigend beantwoord kunnen worden, kan er worden overwogen om verder onderzoek naar een TOS bij het kind uit te voeren.
- Heeft het kind zwakkere sociale vaardigheden dan andere kinderen?
- Wanneer zei het kind zijn/haar eerste woord? (Bij Noorse kinderen met TOS is dit rond 1;8 jaar, bij normaal ontwikkelende Noorse kinderen rond 1;3 jaar)
- Drukt het kind, wanneer het ouder is dan 6 jaar, werkwoorden die in de verleden tijd horen in een andere tijd uit? - Produceerde het kind rond het derde levensjaar nog geen complexe zinnen van meer dan 10 woorden?
In paragraaf 4 worden meerdere onderzoeken naar Noorse kinderen met TOS besproken waarin overige informatie wordt gegeven over de taalontwikkeling bij deze groep kinderen. Hier is ook een overzicht te vinden van de ontwikkelingsfases bij Noorse kinderen met TOS tegenover normaal ontwikkelende Noorse kinderen.
1. Algemene informatie over het Noors
Het Noors (Norsk) is de officiële taal van Noorwegen. Het Noors behoort samen met het Zweeds, het IJslands, Faeröers en het Deens tot de Noord Germaanse talen. Het Noord Germaans is één van de drie groepen die het Germaans vormen, wat op zijn beurt weer een subgroep is van het Indo-Europees.
In 1536 werd Noorwegen een provincie van Denemarken. Vanaf toen tot de 19e eeuw was het Deens de officiële schrijftaal van Noorwegen. Nadat Noorwegen in 1814 onafhankelijk werd, ontwikkelden zich aparte talen die voortkwamen uit het Deens. Tegenwoordig heeft het Noors twee officiële schrijftalen, namelijk het Nynorsk en het Bokmål. Het Nynorsk, letterlijk vertaald als ‘Nieuwnoors’, is een taal die zich vanaf het eind van de 19e eeuw is gaan ontwikkelen om meer een eigen taal te vormen. Op dit moment gebruikt 15% van de Noren het Nynorsk als schrijftaal. Vooral in de gemeenten van het westelijk fjordengebied wordt het Nynorsk als officiële schrijftaal gebruikt. Hier zie je deze schrijftaal voornamelijk op verkeersborden en andere opschriften terug. In de rest van Noorwegen wordt het Bokmål, letterlijk vertaald als ‘Boekentaal’, gebruikt om te schrijven. Deze schrijftaal wordt door 85% van de Noren gebruikt. Het Bokmål is ontstaan vanuit het Deens en is steeds meer ‘Noors’ geworden, een proces dat nog steeds aan de gang is.
Doordat Noorwegen twee officiële schrijftalen kent, hebben de meeste woorden twee schrijfwijzen. De Språkrådet, de raad voor de Noorse taal, is verantwoordelijk voor het reguleren van de twee schrijfwijzen. De leden van deze raad beslissen welke vorm wordt gebruikt voor welke woorden; de officiële vorm voor overheidsstukken en de andere vorm voor het gebruik op bijvoorbeeld scholen. Anders dus dan het Nederlands kent Noorwegen geen standaard gesproken taal. Noren spreken onder elkaar hun eigen dialect. Deze dialecten zijn sterk verwant aan elkaar. De onderlinge communicatie verloopt vaak zonder problemen omdat iedereen elkaar voldoende verstaat. Aangezien het Noors zo veel verschillende soorten dialecten heeft die verspreid zijn over het land is het moeilijk te zeggen hoeveel dit er precies zijn. Noorwegen is één van de weinige landen waarbij het geaccepteerd is dat er op school in dialect wordt gesproken.
2. Specifieke informatie over het Noors
Fonologie Het klanksysteem van het Noors is vergelijkbaar met het Zweeds. Net als bij de andere Scandinavische talen heeft het Noorse alfabet 29 letters in plaats van onze 26 letters. Na de /z/ komen nog drie klinkers, namelijk de /Æ – æ/, /Ø – ø/ en /Å - å/. KlinkersBehalve de drie extra klinkers is de 'y' in het Noors ook een klinker; dit brengt het totaal aantal klinkers in het Noors op 9. De letter /æ/ klinkt als de 'a' in het Britse woord ‘bad’, de letter /ø/ klinkt als de klankcombinatie 'eu' in het Nederlandse woord ‘sneu’, en de letter /å/ klinkt als de 'oo' in het woord ‘boor’. De klinkers 'a', 'u' en 'i' zijn vergelijkbaar met de Nederlandse klanken. De 'e' klinkt als de /ε/ in 'pet' of de /ε:/ in het Engelse 'air'. De 'o' klinkt als de /ɔ/ in 'pot' of de /u:/ in 'boer'. De 'y' klinkt als de /y:/ in het woord 'muur'. In het Noors geldt; een klinker die wordt gevolgd door twee of meer medeklinkers, wordt kort uitgesproken. Klinkers waarop geen of één medeklinker volgt, worden lang uitgesproken. Bijvoorbeeld: bij takk (dank) wordt de /a/ kort uitgesproken en bij tak (dak) wordt de /a/ lang uitgesproken.Het Noors kent vijf tweeklanken, dit zijn:
[æɪ̯] als in 'nei', klinkt als het Nederlandse ‘aai’
[æʉ̯] als in 'sau', klinkt in het Nederlands als ‘uiw’,
[ɑɪ̯] als in 'hai', klinkt hetzelfde in het Nederlands,
[ɔʏ̯] als in 'joik', klinkt als het Nederlandse ‘boiler’
[œj] als in 'øy', klinkt als het Nederlandse woord ‘ui’.
Afhankelijk van het dialect worden de tweeklanken anders uitgesproken of niet gebruikt. De tweeklank [ʉ̫ʏ̯] komt alleen voor in het het woord 'hui' in het gezegde 'i hui og hast', dat zoiets als 'haast hebben' betekent.IPA overzicht Noorse klanksysteem en Nederlandse klanksysteem
MedeklinkersDe medeklinkers /c, q, w, x, z/ worden alleen in leenwoorden gebruikt. Hoewel het alfabet dezelfde medeklinkers heeft, hebben Noren wel een andere uitspraak van sommige medeklinkers. De 'kj-klank' is in het Nederlands bijvoorbeeld niet bekend; deze klank klinkt een beetje als de [ʃ] in 'sjaal', maar wordt met geronde lippen en meer naar achteren bij de palataal gevormd. De laatste klank in het Duitse ´ich´ is ook goed vergelijkbaar. Deze klank hoor je in de Noorse woorden voor kin, koekje en meer; kinn (/Çin/), kjeks (/çeks/) en tjern (/çæːɳ/). De /j/ klank is hetzelfde als in het Nederlands, maar kan worden geschreven met een 'j', 'g' (geit, /jæjt/, geit), 'gj' (igjen, /ɪjen/ opnieuw (again)), 'hj' (hjerte, /jæʈə/, hart), lj', of 'y'. Deze Nederlandse (of Engelse) vertalingen zijn herleidbaar naar de Noorse variant, maar de uitspraak verschilt. De /d/ wordt in sommige woorden een 'stomme d'; in land (/lɑn/, land), brød (/bɾøː/, brood) en god (/gu:/, goed) is de /d/ niet hoorbaar. Wanneer de 'h' voor een medeklinker staat wordt ook deze medeklinker niet uitgesproken. De besproken medeklinkers ‘k', g’, 'd' en ‘h’ kunnen behalve met deze aparte uitspraken (/ç/, /j/, geen uitspraak, geen uitspraak) ook met een 'normale' uitspraak voorkomen. Kenmerkend voor het Noors is de uitspraak van de 'r'. Deze kan op twee manieren worden gevormd, afhankelijk van de regio; de 'Rulle-R' wordt gevormd met de tong tegen de boventanden aan, de 'Skarre-R' wordt meer achterin de keel gevormd. Ook kenmerkend voor de Noorse uitspraak zijn de retroflex medeklinkers. Bij het uitspreken van de /ɭ/ (zoals in perle), de /ɳ/ (zoals in barn) en de /ʈ/ (zoals in fart) is het de bedoeling dat je je tong naar boven krult tegen de palataal aan. Bij deze klanken en anderen vallen er letters weg of verandert de uitspraak. Zie onderstaande tabel voor een overzicht hiervan.
letters
wordt uitgesproken als:
wanneer?
Noorse woord
IPA
vertaling
skj
'sj'
skjære
/ʃæːɾə)/
ekster
kj
Duitse 'ch'
kjøre
/çøːɾə/
rijden
sk
'sj'
voor 'i' of 'y'
ski
/ʃiː/
skiën
tj
Duitse 'ch'
begin v.e. woord
tjære
/çæːɾə/
teer
rg
'ai'
einde v.e. woord
jeg
/jæj/
ik
ig
stomme g
einde v.e. woord
deilig
/dæjlɪ/
heilig
rs
'sj'
mars
/mɑʃ/
maart, mars
rl
retroflex r
perle
/pæːɾlə/
parel
rn
retroflex n
barn
/bɑːɳ/
kind
rt
retroflex t
fart
/fɑʈ/
gaan
Tabel met lettercombinaties die soms anders uitgesproken worden
ProsodieHet Noors wordt gekenmerkt door de prosodie van de taal. Het ritme, de klemtoon en intonatie geven in grote lijnen aan wat de betekenis van het woord is. De akoestiek van deze taal, ofwel ‘toontaal’, is zeer belangrijk voor de spreker om zijn verhaal duidelijk te kunnen maken. Bijvoorbeeld de woorden bønder (boeren) en bønner (bonen) worden hetzelfde uitgesproken. De toon en de intonatie, ofwel de prosodie, geeft de betekenis van een woord weer. Het Noors heeft echter slechts twee tonen en behoort daarmee niet tot de 'echte' toontalen zoals het Mandarijn, dat vijf betekenisonderscheidende tonen heeft. Veel woorden worden in het Noors aan elkaar geschreven. Deze samenstellingen kunnen er toe leiden dat er soms vrij lange woorden ontstaan. Bij iedere samenstelling ligt de klemtoon op de eerste syllabe van het woord. Wanneer woorden niet aan elkaar worden geschreven, ligt bij ieder woord apart de klemtoon op de eerste syllabe van het woord. Deze trochaïsche structuur is niet zo eenduidig in het Nederlands: daar hangt de klemtoon af van de laatste letter van de lettergreep (een medeklinker of een klinker). Morfologie
Het Noors kent mannelijke, vrouwelijke en onzijdige zelfstandig naamwoorden. Doorgaans is de mannelijke verbuiging van een vrouwelijk woord echter wel acceptabel. Dit is dan ook de reden dat het wel eens voorkomt dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke zelfstandig naamwoorden. Het onbepaald lidwoord in het Noors is voor mannelijke woorden en, voor vrouwelijke woorden ei en voor onzijdige et. Net als in het Nederlands worden deze lidwoorden vóór het woord geplaatst. Dit is anders met bepaalde lidwoorden -en, -a en -et (in het Nederlands de en het), want die worden in het Noors niet voor maar achter het zelfstandig naamwoord geplaatst. Net zoals in het Deens gedraagt dit lidwoord zich als suffix en wordt als achtervoegsel aan het zelfstandig naamwoord vastgeplakt. In onderstaande tabel wordt aangegeven hoe het gebruik van lidwoorden verloopt. Hierbij wordt steeds de standaardvorm weergegeven.
Onbepaald enkelvoud
Bepaald enkelvoud
Onbepaald meervoud
Bepaald meervoud
Mannelijk
en gutt
een jongen
gutten
de jongen
gutter
jongens
guttene
de jongens
Vrouwelijk
ei jente
een meisje
jenta
het meisje
jenter
meisjes
jentene
de meisjes
Onzijdig
et vindu
een raam
vinduet
het raam
vinduer
ramen
vinduene
de ramen
Wanneer er een bijvoeglijk naamwoord aan het onderwerp wordt toegevoegd, wordt er tevens een lidwoord aan toegevoegd. Dit resulteert in een dubbel bepaald lidwoord, omdat het bepaald lidwoord ook als cliticum aan het onderwerp zit: 1. den store guttende grote jongen(-de) De bijvoeglijk naamwoorden worden ook gespecificeerd op geslacht, aantal en bepaaldheid. Het Oudnoors kende vier naamvallen; de nominativus, dativus, accusativus en de genitivus. Deze naamvallen werden gemarkeerd op zelfstandige naamwoorden, voornaamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. De dativus wordt in het hedendaagse Noors alleen in sommige dialecten nog gebruikt. De accusativus en genitivus zijn verdwenen, de Noren gebruiken alleen het genitieve cliticum ''s' om een bezittelijke relatie aan te duiden, zoals dat in het Nederlands ook wordt gedaan. Aan voornaamwoorden is wel nog een scheiding zichtbaar tussen onderwerppositie en lijdend voorwerppositie.
Enkelvoud
Onderwerp
Lijdend voorwerp
Eerste persoon
jeg
meg
Tweede persoon
du (de)
deg (dem)
Derde persoon
han, hun, den, det
han/hem, henne, den det
Meervoud
Eerste persoon
vi
oss
Tweede persoon
dere (de)
dere (dem)
Derde persoon
de
(dem)
In het Noors is het gebruiken van een lidwoord voor een lijdend voorwerp niet in alle gevallen verplicht. In de Nederlandse equivalent is een lidwoord bij een lijdend voorwerp in enkelvoud wel verplicht. 2. Hun har hund.*Zij heeft hond. Het Noors heeft een inflectioneel systeem, vergelijkbaar met het Engels, met weinig uitzonderingen. De werkwoorden worden gespecificeerd op tijd, wijs, en actief/passief. Net zoals andere Germaanse talen heeft het Noors sterke en zwakke werkwoorden. 96% van de werkwoorden in het Noors bestaat uit zwakke werkwoorden. Het Noors kent echter nog wel een extra verdeling binnen de groep ‘zwakke werkwoorden’. Deze groep bestaat uit ‘hoge frequentie’ en ‘lage frequentie’. De zwakke werkwoorden met de hoge frequentie hebben in de verleden tijd als uitgangen: -et /et/, of -a /a/. Voorbeelden van werkwoorden die deze uitgang krijgen zijn kaste (gooien) – kastet (of kasta) en hoppe (springen) – hoppet (of hoppa). Zwakke werkwoorden met lage frequentie krijgen in de verleden tijd als uitgangen –te /te/ of –de /de/. Voorbeelden van werkwoorden die deze uitgang krijgen zijn kjøre [çø:re] (rijden) – kjørte en rope [ru:pe] (roepen) – ropte. Van alle werkwoorden bestaat 4% uit sterke werkwoorden. Deze hebben veel overeenkomsten met het Nederlands. Voorbeelden van deze werkwoorden zijn drikke (drinken) – drakk, bære (dragen) – bar, si (zeggen) – sa. Syntaxis Het Noors wordt gezien als een klassieke V2-taal waarbij het werkwoord meestal op de tweede plaats in de zin komt. Dit wordt ook SVO-volgorde genoemd: in de meeste zinnen staat het onderwerp (Subject) vooraan in een zin, daarna de persoonsvorm (Verb) en als laatste het lijdend voorwerp (Object). Hoewel dit systeem overeenkomt met het Nederlandse systeem, is het mogelijk dat een Noorssprekende tweedetaalverwerver van het Nederlands fouten in de syntaxis zal maken. De regels veranderen in het Noors namelijk bij negatie en nominale possessieven. Onderwerp - negatie, onderwerp - possessief, w-vraagwoord, - onderwerp - werkwoord zijn grammaticaal correcte volgordes in het Noors die in het Nederlands niet voorkomen (zie onderstaande voorbeeldzinnen). Deze variatie in het Noors kan leiden tot het kiezen van de verkeerde woordvolgorde in het Nederlands. 3. Ka les du? / Ka du les? Wat lees jij? / *Wat jij leest? Het Noors ken een Object Shift wanneer de zin negatie bevat. Bij een zin met negatie komt het pronominale object vóór het werkwoord, maar nominale object komt na het werkwoord. Zie onderstaande voorbeeld: 4. Jeg spiste den ikke / Jeg spiste ikke sjokoladen.
Ik at hem niet / ik at niet chocolade-de
Ik at het niet / ik at de chocolade niet.
In het Nederlands kan het nominale object ook na het werkwoord worden geplaatst ('ik at geen chocolade'), maar dan verandert de betekenis van de zin.
Bij zinnen met een hulpwerkwoord en een infinitief is de volgorde van de werkwoorden vergelijkbaar met die van het Engels. De volgorde is infinitief - object; in het Nederlands is dat object - infinitief.
5. Jeg kan ikke høre deg
Ik kan niet horen jou
Ik kan je niet verstaan Pragmatiek Mensen uit andere culturen kunnen Noren als onbeleefd beschouwen. Onderzoekers (zie Dittrich et al., 2011) wijten deze onbeleefdheid aan culturele en sociale verschillen. Noren vinden beleefdheidsvormen in gesprekken met mensen met een hogere (sociale) status minder belangrijk, en gebruiken geen Noorse vorm van 'meneer' of 'mevrouw'. Noren behandelen mensen met een lagere of hogere sociale status niet anders; opscheppen over rijkdom is uit den boze. Noren leven naar het Janteloven principe (de Wet van Jante), en vinden gelijkwaardigheid erg belangrijk. Zij voelen zich minder beschaamd wanneer zij in een andere taal fouten maken in de aanspreektitel dan wanneer Engelsen dit in een andere taal proberen. Dit zal er wellicht toe leiden dat Noren in Nederland zich minder zullen vinden in de Nederlandse aanspreekvormen en het vousvoyeren niet in de correcte situaties zullen toepassen. Noren zijn bij het groeten ook minder uitbundig dan men in Nederland verwacht. Wanneer je iemand groet is het beleefd hem de hand te schudden, maar geen knuffel of kussen te geven. Ook wanneer het een vriend of familielid is wordt vaak alleen de hand geschud. Vocabulaire
Het Noors is een Germaanse taal en heeft veel woorden geleend uit het Nederduits. Men schat dat 30-40% van de Noorse woorden uit het Nederduits geleend is. Veel Nederlandse woorden zullen voor Noren herkenbaar zijn, en andersom. Vroeger gebruikte het Noors wel haar eigen spelling voor leenwoorden, zoals te zien is bij woorden als 'bruke' (gebruik), 'føle' (voelen) en 'snakke' (praten). Bij nieuwere leenwoorden, zoals 'basketball', 'sofa' en 'chille', is de Engelse spelling wel behouden. Het Noors heeft ook woorden uit het Grieks en Latijn, maar deze woorden worden, net als in het Nederlands, voornamelijk in de wetenschap gebruikt. Samenstellingen worden, net als in het Duits, zo veel mogelijk aan elkaar geschreven. Zo krijg je woorden als 'oljeinstallasjonsblokk' (olie-installatie-blok) , dat uit drie woorden bestaat.
3. Verwervingsvolgorde van bovengenoemde domeinen
In de literatuur zijn geen noemenswaardige opvallendheden gevonden met betrekking tot de verwervingsfases in het Noors. In dit schema is de standaard moedertaalverwerving binnen de meeste westerse talen te vinden. Er is echter een aantal aspecten met betrekking tot het onderwijssysteem en de verwerving van specifieke gebieden dat wellicht van belang kan zijn. Deze onderwerpen worden hieronder besproken. Onderwijssysteem Het Noorse onderwijssysteem is in sommige opzichten vergelijkbaar met het Nederlandse onderwijssysteem. Kinderen zijn van 6 tot 16 verplicht naar school te gaan (vergelijk 5 tot 16 jaar in Nederland). 90% van de kinderen tussen de 1 en de 5 jaar gaan naar een voorschoolse opvang. Een Noorse basisschoolklas bestond in 2013 uit gemiddeld 16,8 kinderen. In Nederland bestaan de basisschoolklassen uit iets meer kinderen; namelijk 23,3 kinderen. Het internationale onderzoek van PISA 2012 naar het niveau van vijftienjarigen wijst uit dat kinderen in Noorwegen over het algemeen (gemeten op wiskunde, natuurkunde en lezen) significant lager scoren dan kinderen in Nederland; zij belanden op de 30e plek en de Nederlandse kinderen op de 10e plek. Het Noorse leesniveau is echter wel vergelijkbaar met dat van de kinderen in Nederland. Uit dit onderzoek bleek ook dat de overheid in Noorwegen met 7,3% van het bruto binnenlands product ($13.822,88 per student per jaar) een stuk meer uitgeeft aan onderwijs dan de Nederlandse overheid (5,9% of $11.793,29 per student per jaar). De overheid wijt deze discrepantie tussen uitgaven en scores aan het snelgroeiende aantal immigranten in Noorwegen. In Noorwegen is 14,9% van de bevolking immigrant, in Nederland is dit 21,4%. Fonologie
De eerste klanken die kinderen produceren zijn open, niet niet-geronde klinkers zoals /a/, /e/ en /æ/. De medeklinkers die rond 0;4 jaar als eerste worden geproduceerd zijn de labiale medeklinkers: /b, p, v, m/. Tussen 0;7 en 1;0 volgen dan de eerste woordjes. De medeklinkers worden over het algemeen als volgt verworven: /t,d,n/ /k, g, ŋ/ /v, f, đ, s, š/ /s, š/sj/ /č/tj, ž, c/ts, z/ /đ, l, r,/. De meest voorkomende afwijkingen van 4-jarigen zijn problemen met het beheersen van de "Rulle-r", sommige wrijfklanken (voornamelijk s en kj) en medeklinker-verbindingen (voornamelijk sh en st).
Morfologie
50% van de kinderen begint gemiddeld op 1;9 jarige leeftijd met het gebruiken van de 's' om een possessief aan te duiden. Zij kunnen rond hun tweede levensjaar bepaalde lidwoorden, verleden tijd, meervoud en tegenwoordige tijd (meestal) correct gebruiken. Dit is vergelijkbaar met de gemiddelden in Nederland.
Uit het onderzoek van Simonsen en Bjerkan (1998) en Ragnarsdóttir, Simonsen & Plunkett (1999) blijkt dat kinderen de zwakke werkwoorden met een hoge frequentie als eerste onder de knie hebben. Uit een elicitatietest bleek dat vierjarige kinderen 85% van de zwakke werkwoorden met hoge frequentie correct zei, tegenover 47% en 33% voor respectievelijk zwakke werkwoorden met een lage frequentie en sterke werkwoorden. Overgeneralisatie van een andere vorm naar een zwak werkwoord met een hoge frequentie (verleden tijd -/a/ of -/et/) was de meest voorkomende fout bij kinderen van vier jaar. Bij kinderen van acht nam overgeneralisatie naar zwakke werkwoorden met een lage frequentie (verleden tijd -/de/ of -/te/) het over. Bepaalde lidwoorden worden sneller verworven dan onbepaalde lidwoorden. Bepaalde lidwoorden staan achter het onderwerp, waardoor het lidwoord meer nadruk krijgt dan wanneer het lidwoord voor het onderwerp staat, zoals bij onbepaalde lidwoorden het geval is.
Syntaxis
Kinderen hebben al vroeg (voor het tweede jaar) door dat de woordsvolgorde bij negatie en nominale possessieven op twee manieren kan voorkomen; onderwerp - negatie of negatie - onderwerp en possessief - onderwerp of onderwerp - possessief. Hoewel ze dit systeem vroeg doorhebben, hebben ze een voorkeur voor de minst frequente optie; possessief - onderwerp. Westergaard (2003, 2009) wijst tevens uit dat kinderen ook op zeer jonge leeftijd de woordvolgorde in w-vragen (wie, wat, waar, waarom, hoe) al door hebben. De Object Shift wordt erg laat pas verworven: na het zevende jaar.
Vocabulaire
Uit een grootschalig onderzoek (Norwegian Mother and Child Cohort Study, Magnus et al., 2006) bleek dat een normaalontwikkelend kind met gemiddeld 1;3 jaar zijn eerste woordje zegt, en 1;8 jaar is wanneer hij zijn eerste tweewoorduiting doet. Uit een ander onderzoek bleek dat jongens slechter scoren op woordenschatproductie, woordenschatbegrip, grammaticale complexiteit en imitatie in vergelijking met meisjes (Simonsen, 2013). Meisjes begrepen gemiddeld 8 woorden meer dan jongens. Ook in de productieve woordenschat hadden de meisjes een voorsprong: met 1;8 jaar gebruikten de meisjes 101 woorden en de jongens 69. Zodra de kinderen 3;0 jaar zijn is het verschil minder groot en gebruiken zij beiden ongeveer 650 woorden. Ook de snelle ontwikkeling kwam in dit onderzoek naar voren: 50% van de kinderen van 0;8 jaar begreep minder dan 10 woorden, terwijl 50% van de kinderen van 1;8 tenminste 257 woorden begreep. De kinderen leerden gemiddeld 21 woorden per maand. De woorden die kinderen meestal als eerste uiten zijn mamma, hei (hoi), nam-nam (jammie), pappa, nei (nee), ha det (doei), takk (dankje), bæ (bèh, geluid schaap), voff voff (woef woef).
4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Noors
5 tot 7% van de kinderen in Noorwegen heeft een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Men probeert met behulp van de genormeerde TRAS methode (Tidlig Registrering Av Språkutvikling; vroege registratie van de taalontwikkeling) de kinderen met TOS al in de voorschoolse opvang te ontdekken. De TRAS is een samenwerkingsproject van een aantal pedagogische instituten en onderwijscentra en dient in eerste instantie als preventieve ondersteuning van taalzwakke kinderen. Ondersteunend materiaal bij taalzwakke kinderen van twee jaar bestaat onder anderen uit begeleidende prentenboeken, methodes om woorden samen te stellen en lichaamsdelen te benoemen en de SATS. De SATS (Screening Av Toåringers Språk; screening taalgebruik van tweejarigen) is een uit drie delen bestaande methode om interactie over dingen uit het dagelijks leven te stimuleren. Bij kinderen van ongeveer 4 jaar wordt er gebruik gemaakt van SPRÅK 4 (TAAL 4), waarbij de focus ligt op inhoud, articulatie, zinsopbouw en woordenschat. Uit onderzoek is ook gebleken dat de taal- en communicatievaardigheden kunnen worden voorspeld aan de hand van de motorische vaardigheden op een leeftijd van 1;6 jaar. De sterke correlatie (0,72) onderbouwt de hypothese dat taal- en motorische problemen beiden manifestaties zijn van een onderliggende neuro-ontwikkelingsstoornis (Wang et al., 2012).
Simonsen en Bjerkan (1998) hebben een onderzoek uitgevoerd naar het soort fouten dat kinderen met een taalontwikkelingsstoornis maken bij de verleden tijd. Hieruit blijkt dat het verwerven van de verleden tijd op eenzelfde manier werkt bij kinderen met TOS als bij normaal ontwikkelende kinderen, maar dat deze verwerving vertraagd is. Individuele kinderen hebben individuele foutenpatronen, dit patroon is te zien bij het overgeneraliseren. TOS-kinderen en normaal ontwikkelende kinderen overgeneraliseerden bepaalde categorieën verleden tijd (laagfrequente zwakke, hoogfrequente zwakke of sterke werkwoorden). Wanneer een kind bij slechts één woordgroep beduidend slechter scoort is dit een mogelijk teken voor een taalontwikkelingsstoornis. Ook wanneer een kind ouder dan 6 jaar werkwoorden die in de verleden tijd horen in een andere tijd uitdrukt, kan dit wijzen op een TOS.
Het onderzoek van Karstensen (2014) richtte zich op de sociale kant van specifieke taalontwikkelingsstoornissen. Kinderen met een TOS hebben zwakkere sociale vaardigheden, hebben een negatiever beeld van hun eigen (sociale) vaardigheden en ervaren meer stress in sociale situaties. Deze sociale problemen lijken te verergeren naarmate het kind ouder wordt. Dat de sociale vaardigheden in verband staan met de talige is duidelijk, of dit een causaal verband is niet.
Uit het onderzoek van Magnus et al. (2006) blijkt dat een Noorse kind met een TOS met gemiddeld 1;8 jaar zijn eerste woord zegt. Om het in perspectief te brengen: normaal ontwikkelende Noorse kinderen doen dit met 1;3 en Noorse kinderen met autisme met 1;5 jaar. Noorse kinderen met TOS zijn gemiddeld 2;6 jaar als ze hun eerste tweewoorduiting doen, normaal ontwikkelende kinderen zijn gemiddeld 1;8 en kinderen met autisme 2;2. In onderstaande tabel is af te lezen dat 2,1% van de driejarige kinderen met TOS lange, complexe zinnen van meer dan 10 woorden uit, in vergelijking met 72,5% bij normaal ontwikkelende kinderen. Van de vierjarige kinderen met TOS was dat 14,0%, tegenover 88,2% normaal ontwikkelende kinderen. Uit het onderzoek blijkt ook dat kinderen met een taalontwikkelingsstoornis een kleinere woordenschat hebben: 35,4% van de driejarigen heeft een woordenschat van meer dan 50 woorden tegenover 94,0% van de normaal ontwikkelende kinderen. Ook bij de grammatica is een discrepantie te bemerken: kinderen met een taalontwikkelingsstoornis scoorden slechter op het vormen van (onregelmatige) meervoudsvormen en verleden tijdsvormen. Ook de vaardigheden van het vertellen van een verhaal blijven in eerste instantie achter. Wel is te zien dat de vierjarigen bezig zijn met een inhaalslag.
TOS (percentage)
NO (percentage)
driejarigen
Lengte uitingen
zinnen > 4 woorden
56,7
99,4
zinnen > 6 woorden
23,5
96,5
zinnen > 10 woorden
2,1
72,5
Woordenschat
Woordenschat >20
88,4
99,4
Woordenschat >50
35,4
94,0
Grammatica
Meervoud correct
21,9
90,0
Verleden tijd correct
9,2
73,4
Onregelmatig meervoud correct
4,1
32,9
Narrativiteit
Omschrijft gebeurtenis plaatje
12,2
74,2
Vertelt verhaal in chronologische volg.
3,1
53,5
vierjarigen
Lengte uitingen
zinnen > 4 woorden
74,4
100,0
zinnen > 6 woorden
39,5
96,2
zinnen > 10 woorden
14,0
88,2
Woordenschat
Woordenschat >20
81,4
98,1
Woordenschat >50
57,1
94,2
Grammatica
Meervoud correct
52,4
94,2
Verleden tijd correct
31,7
82,3
Onregelmatig meervoud correct
11,6
41,4
Narrativiteit
Omschrijft gebeurtenis plaatje
86,0
100,0
Vertelt verhaal in chronologische volg.
81,2
98,8
Kenmerken uitingen van kinderen met taalstoornissen (TOS, driejarigen N = 98, vierjarigen N = 43) en normale ontwikkeling (NO, driejarigen N = 172, vierjarigen N = 159). Naar Valand (2013:44-52). Resultaten staan in percentages van het aantal participanten per groep aangegeven. Al met al blijkt uit deze gegevens dat bij beide leeftijdscategorieën de kinderen met een taalontwikkelingsstoornis op alle onderzochte gebieden (op de vertelvaardigheid van vierjarigen na) sterk achterlopen op hun normaal ontwikkelende leeftijdsgenoten. Ook blijkt dat met name de lengte van de uitingen, de grammatica en de narrativiteit zich sterk ontwikkelen bij de kinderen met een taalontwikkelingsstoornis, waardoor zij een beetje inlopen op hun leeftijdsgenoten. In hoeverre zij op latere leeftijd vergelijkbaar zijn met hun normaal ontwikkelende leeftijdsgenootjes is helaas niet bekend.
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Er is een aantal belangrijke verschillen tussen de Noorse en de Nederlandse taal, wat kan zorgen voor eventuele transferfouten. Hier moet dus rekening mee gehouden worden wanneer een Noors kind dat Nederlands leert onderzocht wordt op een taalontwikkelingsstoornis. In het Noors is de prosodie, intonatie en toon bij het spreken bijvoorbeeld erg belangrijk om aan te kunnen duiden wat de spreker bedoelt. Voor onderzoekers, logopedisten en linguïsten is het eveneens belangrijk om te weten dat het in de Noorse taal geaccepteerd is dat vrouwelijke zelfstandig naamwoorden mannelijk worden verbogen of andersom. Aan het onderscheid dat wordt gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke zelfstandig naamwoorden wordt dus weinig aandacht geschonken. Voor het gebruik van lidwoorden is het belangrijk om te weten dat bepaalde lidwoorden achter het zelfstandig naamwoord worden geplakt. Dit hoeft bij het gebruik van bepaalde lidwoorden in het Nederlands niet voor problemen te zorgen, omdat wij de en het altijd vóór het zelfstandig naamwoord hebben staan. Wel is het mogelijk dat het kind die betreffende lidwoorden in het Nederlands zou kunnen weglaten, omdat in het Noors enkel de onbepaalde lidwoorden vóór het zelfstandig naamwoord worden geplaatst. Tot slot heeft het Noors veel verschillende dialecten, wat invloed kan hebben op de verwervingsfases. Meer informatie hierover is te vinden in Westergaard (2003).
In onderstaande literatuurlijst is een overzicht gegeven van de bronnen die gebruikt zijn bij het samenstellen van deze pagina. Wanneer u meer wilt weten over het Noors is het aan te raden deze informatie te raadplegen.
Eide, K.M. (2011). Norwegian (non V2) declaratives, resumptives elements, and the Wackernagel position. Nordic Journal of Linguistics 34(2), 179-213.
Hilton, N.H., A. Schüppert & C. Gooskens (2011). Syllable reduction and articulation rates in Danish, Norwegian and Swedish. Nordic Journal of Linguistics (34)2, 215-237.
Karstensen, Marie Fredrikke. (2014). Sosial kompetanse hos barn og unge med spesifikke språkvansker [Sociale competentie van kinderen en adolescenten met een specifieke taalstoornis]. Universiteit van Oslo.
Kristoffersen, Gjert. 2000. The Phonology of Norwegian. (The Phonology of the World's Languages). Oxford: Oxford University Press.
Magnus, P., Irgens, L. M., Haug, K., Nystad, W., Skjærven, R., Stoltenberg, C., & Group, T. M. S. (2006). Cohort profile: The Norwegian Mother and Child Cohort Study (MoBa). International Journal of Epidemiology, 35(5), 1146-1150.
Ragnarsdóttir, H. & H.G.Simonsen (1999). The acquisition of past tense morphology in Icelandic and Norwegian children: an experimental study. Journal of Child Language, 26, 577-618.
Ragnarsdóttir, Hrafnhildur, Hanne Gram Simonsen & Kim Plunkett. (1999). The acquisition of past tense morphology in Icelandic and Norwegian children: an experimental study. Journal of Child Language 26(03), 577 - 618.
Simonsen, H.G. & K.M. Bjerkan (1998). Testing past tense inflection in Norwegian: a diagnostic tool for identifying SLI children? International Journal for Applied Linguistics, (8) 2, 251-270.
Simonsen, Hanne Gram, Kristian E. Kristoffersen, Dorthe Bleses, Sonja Wehberg & Rune N. Jørgensen. (2013). The Norwegian Communicative Development Inventories: Reliability, main developmental trends and gender differences. First Language 34(1), 3-23.
Slobin, D.I. (1997). The cross-linguistic study of language acquisition. Volume 5: expanding the contexts. London: Lawrence Erlbaum Associates.
Valand, Stian Barbo. (2013). Early language characteristics in children with autism spectrum disorders, compared to children with language impairment and children with typical development. Universiteit van Oslo.
Wang, M. V., R. Lekhal, L. E. Aarø & S. Schjølberg. 2012. Co-occurring development of early childhood communication and motor skills: results from a population-based longitudinal study. Child: care, health and development 40(1), 77-84.
Westergaard, M. (2009). The acquisition of Word order. Micro-cues, information structure, and economy. John Benjamins Publishing Company. Linguistics Today 145.
Westergaard, M. (2003). Word order in wh-questions in a North Norwegian dialect: some evidence from a acquisition study. Nordic Journal of Linguistics 26.1, 81-109.
Table of Contents
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Er is een aantal verschillen tussen het Noors en het Nederlands dat transferfouten kan veroorzaken wanneer een kind met Noors als moedertaal Nederlands leert. Hier moet dus rekening mee gehouden worden wanneer er onderzoek wordt gedaan naar een eventuele taalontwikkelingsstoornis bij het kind. Hieronder staan per deelgebied (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) kort de verschillen weergegeven. Voor uitgebreidere informatie over het Noors kan paragraaf 2 geraadpleegd worden.
Prosodie
Het Noorse klinkersysteem is vergelijkbaar met dat van het Nederlands. Alleen de 'o' (/u/ in Noors) is wezenlijk verschillend, de andere klinkers worden iets anders gemaakt maar zijn vergelijkbaar. In het Noors wordt de 'y' alleen als klinker gebruikt; een woord als 'yoga' zal voor een Noor dus moeilijk uit te spreken zijn. De Nederlandse tweeklanken 'eu', 'ei', 'ij' 'ui' 'ou' 'au' zullen lastig zijn voor Noorse kinderen die Nederlands leren. Ook wordt een groot aantal medeklinkers anders uitgesproken, waardoor het oplezen van woorden voor problemen kan zorgen. Verder is de klemtoon in het Nederlands relatief onvoorspelbaar. Wanneer Noorse kinderen problemen hebben met deze aspecten, hoeft dit dus niet op een TOS te wijzen.
Morfologie
Omdat het lidwoordensysteem anders in dan in het Nederlands, is te verwachten dat Noorse kinderen de Nederlandse lidwoorden weglaten en er fouten mee maken, vooral bij de lidwoorden van het lijdend voorwerp en bij bepaalde lidwoorden. De genitivus en het werkwoordensysteem zijn vergelijkbaar met het Nederlandse systeem, dus hier worden geen transferfouten bij verwacht.
Syntaxis
Hoewel de standaardvolgorde in het Noors hetzelfde is als in het Nederlands, is er een aantal verschillen bij complexere zinnen. Bij zinnen met negatie en nominale possessieven kunnen fouten worden verwacht omdat men bij deze zinnen in het Noors de keuze heeft of een VS- of een SV-volgorde gebruikt wordt. Bij zinnen met een infinitief worden ook volgordefouten verwacht, omdat het object in het Noors achteraan de zin staat. Negatieve transfer zorgt dan voor zinnen als 'ik kan niet horen jou'.
Pragmatiek
Kleine verschillen in de cultuur kunnen ertoe leiden dat Noorse kinderen in het Nederlands onbeleefd of kortaf overkomen, omdat ze niet de juiste sociaal wenselijke aanspreekvorm gebruiken. Op dit kleine verschil na is het pragmatische gebruik van taal in Noorwegen vergelijkbaar met het Nederlands.
Wanneer bovenstaande aspecten fout worden gedaan door Noorse kinderen die Nederlands leren, hoeft dit dus niet te duiden op een TOS.
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Naast bovenstaande transferfouten is er een aantal problemen bij Noorse kinderen die Nederlands leren dat wel vaak duidt op een TOS. Onderstaande lijst bevat vragen die aan de ouders of tolk gesteld kunnen worden om te achterhalen of er sprake is van een taalontwikkelingsstoornis. Wanneer deze vragen bevestigend beantwoord kunnen worden, kan er worden overwogen om verder onderzoek naar een TOS bij het kind uit te voeren.
- Heeft het kind zwakkere sociale vaardigheden dan andere kinderen?
- Wanneer zei het kind zijn/haar eerste woord? (Bij Noorse kinderen met TOS is dit rond 1;8 jaar, bij normaal ontwikkelende Noorse kinderen rond 1;3 jaar)
- Drukt het kind, wanneer het ouder is dan 6 jaar, werkwoorden die in de verleden tijd horen in een andere tijd uit?
- Produceerde het kind rond het derde levensjaar nog geen complexe zinnen van meer dan 10 woorden?
In paragraaf 4 worden meerdere onderzoeken naar Noorse kinderen met TOS besproken waarin overige informatie wordt gegeven over de taalontwikkeling bij deze groep kinderen. Hier is ook een overzicht te vinden van de ontwikkelingsfases bij Noorse kinderen met TOS tegenover normaal ontwikkelende Noorse kinderen.
1. Algemene informatie over het Noors
Het Noors (Norsk) is de officiële taal van Noorwegen. Het Noors behoort samen met het Zweeds, het IJslands, Faeröers en het Deens tot de Noord Germaanse talen. Het Noord Germaans is één van de drie groepen die het Germaans vormen, wat op zijn beurt weer een subgroep is van het Indo-Europees.
In 1536 werd Noorwegen een provincie van Denemarken. Vanaf toen tot de 19e eeuw was het Deens de officiële schrijftaal van Noorwegen. Nadat Noorwegen in 1814 onafhankelijk werd, ontwikkelden zich aparte talen die voortkwamen uit het Deens. Tegenwoordig heeft het Noors twee officiële schrijftalen, namelijk het Nynorsk en het Bokmål. Het Nynorsk, letterlijk vertaald als ‘Nieuwnoors’, is een taal die zich vanaf het eind van de 19e eeuw is gaan ontwikkelen om meer een eigen taal te vormen. Op dit moment gebruikt 15% van de Noren het Nynorsk als schrijftaal. Vooral in de gemeenten van het westelijk fjordengebied wordt het Nynorsk als officiële schrijftaal gebruikt. Hier zie je deze schrijftaal voornamelijk op verkeersborden en andere opschriften terug. In de rest van Noorwegen wordt het Bokmål, letterlijk vertaald als ‘Boekentaal’, gebruikt om te schrijven. Deze schrijftaal wordt door 85% van de Noren gebruikt. Het Bokmål is ontstaan vanuit het Deens en is steeds meer ‘Noors’ geworden, een proces dat nog steeds aan de gang is.
Doordat Noorwegen twee officiële schrijftalen kent, hebben de meeste woorden twee schrijfwijzen. De Språkrådet, de raad voor de Noorse taal, is verantwoordelijk voor het reguleren van de twee schrijfwijzen. De leden van deze raad beslissen welke vorm wordt gebruikt voor welke woorden; de officiële vorm voor overheidsstukken en de andere vorm voor het gebruik op bijvoorbeeld scholen. Anders dus dan het Nederlands kent Noorwegen geen standaard gesproken taal. Noren spreken onder elkaar hun eigen dialect. Deze dialecten zijn sterk verwant aan elkaar. De onderlinge communicatie verloopt vaak zonder problemen omdat iedereen elkaar voldoende verstaat. Aangezien het Noors zo veel verschillende soorten dialecten heeft die verspreid zijn over het land is het moeilijk te zeggen hoeveel dit er precies zijn. Noorwegen is één van de weinige landen waarbij het geaccepteerd is dat er op school in dialect wordt gesproken.
2. Specifieke informatie over het Noors
Fonologie
Het klanksysteem van het Noors is vergelijkbaar met het Zweeds. Net als bij de andere Scandinavische talen heeft het Noorse alfabet 29 letters in plaats van onze 26 letters. Na de /z/ komen nog drie klinkers, namelijk de /Æ – æ/, /Ø – ø/ en /Å - å/.
KlinkersBehalve de drie extra klinkers is de 'y' in het Noors ook een klinker; dit brengt het totaal aantal klinkers in het Noors op 9. De letter /æ/ klinkt als de 'a' in het Britse woord ‘bad’, de letter /ø/ klinkt als de klankcombinatie 'eu' in het Nederlandse woord ‘sneu’, en de letter /å/ klinkt als de 'oo' in het woord ‘boor’. De klinkers 'a', 'u' en 'i' zijn vergelijkbaar met de Nederlandse klanken. De 'e' klinkt als de /ε/ in 'pet' of de /ε:/ in het Engelse 'air'. De 'o' klinkt als de /ɔ/ in 'pot' of de /u:/ in 'boer'. De 'y' klinkt als de /y:/ in het woord 'muur'. In het Noors geldt; een klinker die wordt gevolgd door twee of meer medeklinkers, wordt kort uitgesproken. Klinkers waarop geen of één medeklinker volgt, worden lang uitgesproken. Bijvoorbeeld: bij takk (dank) wordt de /a/ kort uitgesproken en bij tak (dak) wordt de /a/ lang uitgesproken.Het Noors kent vijf tweeklanken, dit zijn:
Afhankelijk van het dialect worden de tweeklanken anders uitgesproken of niet gebruikt. De tweeklank [ʉ̫ʏ̯] komt alleen voor in het het woord 'hui' in het gezegde 'i hui og hast', dat zoiets als 'haast hebben' betekent.
MedeklinkersDe medeklinkers /c, q, w, x, z/ worden alleen in leenwoorden gebruikt. Hoewel het alfabet dezelfde medeklinkers heeft, hebben Noren wel een andere uitspraak van sommige medeklinkers. De 'kj-klank' is in het Nederlands bijvoorbeeld niet bekend; deze klank klinkt een beetje als de [ʃ] in 'sjaal', maar wordt met geronde lippen en meer naar achteren bij de palataal gevormd. De laatste klank in het Duitse ´ich´ is ook goed vergelijkbaar. Deze klank hoor je in de Noorse woorden voor kin, koekje en meer; kinn (/Çin/), kjeks (/çeks/) en tjern (/çæːɳ/). De /j/ klank is hetzelfde als in het Nederlands, maar kan worden geschreven met een 'j', 'g' (geit, /jæjt/, geit), 'gj' (igjen, /ɪjen/ opnieuw (again)), 'hj' (hjerte, /jæʈə/, hart), lj', of 'y'. Deze Nederlandse (of Engelse) vertalingen zijn herleidbaar naar de Noorse variant, maar de uitspraak verschilt. De /d/ wordt in sommige woorden een 'stomme d'; in land (/lɑn/, land), brød (/bɾøː/, brood) en god (/gu:/, goed) is de /d/ niet hoorbaar. Wanneer de 'h' voor een medeklinker staat wordt ook deze medeklinker niet uitgesproken. De besproken medeklinkers ‘k', g’, 'd' en ‘h’ kunnen behalve met deze aparte uitspraken (/ç/, /j/, geen uitspraak, geen uitspraak) ook met een 'normale' uitspraak voorkomen.
Kenmerkend voor het Noors is de uitspraak van de 'r'. Deze kan op twee manieren worden gevormd, afhankelijk van de regio; de 'Rulle-R' wordt gevormd met de tong tegen de boventanden aan, de 'Skarre-R' wordt meer achterin de keel gevormd. Ook kenmerkend voor de Noorse uitspraak zijn de retroflex medeklinkers. Bij het uitspreken van de /ɭ/ (zoals in perle), de /ɳ/ (zoals in barn) en de /ʈ/ (zoals in fart) is het de bedoeling dat je je tong naar boven krult tegen de palataal aan. Bij deze klanken en anderen vallen er letters weg of verandert de uitspraak. Zie onderstaande tabel voor een overzicht hiervan.
ProsodieHet Noors wordt gekenmerkt door de prosodie van de taal. Het ritme, de klemtoon en intonatie geven in grote lijnen aan wat de betekenis van het woord is. De akoestiek van deze taal, ofwel ‘toontaal’, is zeer belangrijk voor de spreker om zijn verhaal duidelijk te kunnen maken. Bijvoorbeeld de woorden bønder (boeren) en bønner (bonen) worden hetzelfde uitgesproken. De toon en de intonatie, ofwel de prosodie, geeft de betekenis van een woord weer. Het Noors heeft echter slechts twee tonen en behoort daarmee niet tot de 'echte' toontalen zoals het Mandarijn, dat vijf betekenisonderscheidende tonen heeft.
Veel woorden worden in het Noors aan elkaar geschreven. Deze samenstellingen kunnen er toe leiden dat er soms vrij lange woorden ontstaan. Bij iedere samenstelling ligt de klemtoon op de eerste syllabe van het woord. Wanneer woorden niet aan elkaar worden geschreven, ligt bij ieder woord apart de klemtoon op de eerste syllabe van het woord. Deze trochaïsche structuur is niet zo eenduidig in het Nederlands: daar hangt de klemtoon af van de laatste letter van de lettergreep (een medeklinker of een klinker).
Morfologie
Het Noors kent mannelijke, vrouwelijke en onzijdige zelfstandig naamwoorden. Doorgaans is de mannelijke verbuiging van een vrouwelijk woord echter wel acceptabel. Dit is dan ook de reden dat het wel eens voorkomt dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke zelfstandig naamwoorden. Het onbepaald lidwoord in het Noors is voor mannelijke woorden en, voor vrouwelijke woorden ei en voor onzijdige et. Net als in het Nederlands worden deze lidwoorden vóór het woord geplaatst. Dit is anders met bepaalde lidwoorden -en, -a en -et (in het Nederlands de en het), want die worden in het Noors niet voor maar achter het zelfstandig naamwoord geplaatst. Net zoals in het Deens gedraagt dit lidwoord zich als suffix en wordt als achtervoegsel aan het zelfstandig naamwoord vastgeplakt. In onderstaande tabel wordt aangegeven hoe het gebruik van lidwoorden verloopt. Hierbij wordt steeds de standaardvorm weergegeven.
een jongen
de jongen
jongens
de jongens
een meisje
het meisje
meisjes
de meisjes
een raam
het raam
ramen
de ramen
1. den store guttende grote jongen(-de)
De bijvoeglijk naamwoorden worden ook gespecificeerd op geslacht, aantal en bepaaldheid.
Het Oudnoors kende vier naamvallen; de nominativus, dativus, accusativus en de genitivus. Deze naamvallen werden gemarkeerd op zelfstandige naamwoorden, voornaamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. De dativus wordt in het hedendaagse Noors alleen in sommige dialecten nog gebruikt. De accusativus en genitivus zijn verdwenen, de Noren gebruiken alleen het genitieve cliticum ''s' om een bezittelijke relatie aan te duiden, zoals dat in het Nederlands ook wordt gedaan. Aan voornaamwoorden is wel nog een scheiding zichtbaar tussen onderwerppositie en lijdend voorwerppositie.
In het Noors is het gebruiken van een lidwoord voor een lijdend voorwerp niet in alle gevallen verplicht. In de Nederlandse equivalent is een lidwoord bij een lijdend voorwerp in enkelvoud wel verplicht.
2. Hun har hund.*Zij heeft hond.
Het Noors heeft een inflectioneel systeem, vergelijkbaar met het Engels, met weinig uitzonderingen. De werkwoorden worden gespecificeerd op tijd, wijs, en actief/passief. Net zoals andere Germaanse talen heeft het Noors sterke en zwakke werkwoorden. 96% van de werkwoorden in het Noors bestaat uit zwakke werkwoorden. Het Noors kent echter nog wel een extra verdeling binnen de groep ‘zwakke werkwoorden’. Deze groep bestaat uit ‘hoge frequentie’ en ‘lage frequentie’. De zwakke werkwoorden met de hoge frequentie hebben in de verleden tijd als uitgangen: -et /et/, of -a /a/. Voorbeelden van werkwoorden die deze uitgang krijgen zijn kaste (gooien) – kastet (of kasta) en hoppe (springen) – hoppet (of hoppa). Zwakke werkwoorden met lage frequentie krijgen in de verleden tijd als uitgangen –te /te/ of –de /de/. Voorbeelden van werkwoorden die deze uitgang krijgen zijn kjøre [çø:re] (rijden) – kjørte en rope [ru:pe] (roepen) – ropte. Van alle werkwoorden bestaat 4% uit sterke werkwoorden. Deze hebben veel overeenkomsten met het Nederlands. Voorbeelden van deze werkwoorden zijn drikke (drinken) – drakk, bære (dragen) – bar, si (zeggen) – sa.
Syntaxis
Het Noors wordt gezien als een klassieke V2-taal waarbij het werkwoord meestal op de tweede plaats in de zin komt. Dit wordt ook SVO-volgorde genoemd: in de meeste zinnen staat het onderwerp (Subject) vooraan in een zin, daarna de persoonsvorm (Verb) en als laatste het lijdend voorwerp (Object). Hoewel dit systeem overeenkomt met het Nederlandse systeem, is het mogelijk dat een Noorssprekende tweedetaalverwerver van het Nederlands fouten in de syntaxis zal maken. De regels veranderen in het Noors namelijk bij negatie en nominale possessieven. Onderwerp - negatie, onderwerp - possessief, w-vraagwoord, - onderwerp - werkwoord zijn grammaticaal correcte volgordes in het Noors die in het Nederlands niet voorkomen (zie onderstaande voorbeeldzinnen). Deze variatie in het Noors kan leiden tot het kiezen van de verkeerde woordvolgorde in het Nederlands.
3. Ka les du? / Ka du les?
Wat lees jij? / *Wat jij leest?
Het Noors ken een Object Shift wanneer de zin negatie bevat. Bij een zin met negatie komt het pronominale object vóór het werkwoord, maar nominale object komt na het werkwoord. Zie onderstaande voorbeeld:
4. Jeg spiste den ikke / Jeg spiste ikke sjokoladen.
Ik at hem niet / ik at niet chocolade-de
Ik at het niet / ik at de chocolade niet.
In het Nederlands kan het nominale object ook na het werkwoord worden geplaatst ('ik at geen chocolade'), maar dan verandert de betekenis van de zin.
Bij zinnen met een hulpwerkwoord en een infinitief is de volgorde van de werkwoorden vergelijkbaar met die van het Engels. De volgorde is infinitief - object; in het Nederlands is dat object - infinitief.
5. Jeg kan ikke høre deg
Ik kan niet horen jou
Ik kan je niet verstaan
Pragmatiek
Mensen uit andere culturen kunnen Noren als onbeleefd beschouwen. Onderzoekers (zie Dittrich et al., 2011) wijten deze onbeleefdheid aan culturele en sociale verschillen. Noren vinden beleefdheidsvormen in gesprekken met mensen met een hogere (sociale) status minder belangrijk, en gebruiken geen Noorse vorm van 'meneer' of 'mevrouw'. Noren behandelen mensen met een lagere of hogere sociale status niet anders; opscheppen over rijkdom is uit den boze. Noren leven naar het Janteloven principe (de Wet van Jante), en vinden gelijkwaardigheid erg belangrijk. Zij voelen zich minder beschaamd wanneer zij in een andere taal fouten maken in de aanspreektitel dan wanneer Engelsen dit in een andere taal proberen. Dit zal er wellicht toe leiden dat Noren in Nederland zich minder zullen vinden in de Nederlandse aanspreekvormen en het vousvoyeren niet in de correcte situaties zullen toepassen.
Noren zijn bij het groeten ook minder uitbundig dan men in Nederland verwacht. Wanneer je iemand groet is het beleefd hem de hand te schudden, maar geen knuffel of kussen te geven. Ook wanneer het een vriend of familielid is wordt vaak alleen de hand geschud.
Vocabulaire
Het Noors is een Germaanse taal en heeft veel woorden geleend uit het Nederduits. Men schat dat 30-40% van de Noorse woorden uit het Nederduits geleend is. Veel Nederlandse woorden zullen voor Noren herkenbaar zijn, en andersom. Vroeger gebruikte het Noors wel haar eigen spelling voor leenwoorden, zoals te zien is bij woorden als 'bruke' (gebruik), 'føle' (voelen) en 'snakke' (praten). Bij nieuwere leenwoorden, zoals 'basketball', 'sofa' en 'chille', is de Engelse spelling wel behouden. Het Noors heeft ook woorden uit het Grieks en Latijn, maar deze woorden worden, net als in het Nederlands, voornamelijk in de wetenschap gebruikt. Samenstellingen worden, net als in het Duits, zo veel mogelijk aan elkaar geschreven. Zo krijg je woorden als 'oljeinstallasjonsblokk' (olie-installatie-blok) , dat uit drie woorden bestaat.
3. Verwervingsvolgorde van bovengenoemde domeinen
In de literatuur zijn geen noemenswaardige opvallendheden gevonden met betrekking tot de verwervingsfases in het Noors. In dit schema is de standaard moedertaalverwerving binnen de meeste westerse talen te vinden. Er is echter een aantal aspecten met betrekking tot het onderwijssysteem en de verwerving van specifieke gebieden dat wellicht van belang kan zijn. Deze onderwerpen worden hieronder besproken.
Onderwijssysteem
Het Noorse onderwijssysteem is in sommige opzichten vergelijkbaar met het Nederlandse onderwijssysteem. Kinderen zijn van 6 tot 16 verplicht naar school te gaan (vergelijk 5 tot 16 jaar in Nederland). 90% van de kinderen tussen de 1 en de 5 jaar gaan naar een voorschoolse opvang. Een Noorse basisschoolklas bestond in 2013 uit gemiddeld 16,8 kinderen. In Nederland bestaan de basisschoolklassen uit iets meer kinderen; namelijk 23,3 kinderen. Het internationale onderzoek van PISA 2012 naar het niveau van vijftienjarigen wijst uit dat kinderen in Noorwegen over het algemeen (gemeten op wiskunde, natuurkunde en lezen) significant lager scoren dan kinderen in Nederland; zij belanden op de 30e plek en de Nederlandse kinderen op de 10e plek. Het Noorse leesniveau is echter wel vergelijkbaar met dat van de kinderen in Nederland. Uit dit onderzoek bleek ook dat de overheid in Noorwegen met 7,3% van het bruto binnenlands product ($13.822,88 per student per jaar) een stuk meer uitgeeft aan onderwijs dan de Nederlandse overheid (5,9% of $11.793,29 per student per jaar). De overheid wijt deze discrepantie tussen uitgaven en scores aan het snelgroeiende aantal immigranten in Noorwegen. In Noorwegen is 14,9% van de bevolking immigrant, in Nederland is dit 21,4%.
Fonologie
De eerste klanken die kinderen produceren zijn open, niet niet-geronde klinkers zoals /a/, /e/ en /æ/. De medeklinkers die rond 0;4 jaar als eerste worden geproduceerd zijn de labiale medeklinkers: /b, p, v, m/. Tussen 0;7 en 1;0 volgen dan de eerste woordjes. De medeklinkers worden over het algemeen als volgt verworven: /t,d,n/ /k, g, ŋ/ /v, f, đ, s, š/ /s, š/sj/ /č/tj, ž, c/ts, z/ /đ, l, r,/. De meest voorkomende afwijkingen van 4-jarigen zijn problemen met het beheersen van de "Rulle-r", sommige wrijfklanken (voornamelijk s en kj) en medeklinker-verbindingen (voornamelijk sh en st).
Morfologie
50% van de kinderen begint gemiddeld op 1;9 jarige leeftijd met het gebruiken van de 's' om een possessief aan te duiden. Zij kunnen rond hun tweede levensjaar bepaalde lidwoorden, verleden tijd, meervoud en tegenwoordige tijd (meestal) correct gebruiken. Dit is vergelijkbaar met de gemiddelden in Nederland.
Uit het onderzoek van Simonsen en Bjerkan (1998) en Ragnarsdóttir, Simonsen & Plunkett (1999) blijkt dat kinderen de zwakke werkwoorden met een hoge frequentie als eerste onder de knie hebben. Uit een elicitatietest bleek dat vierjarige kinderen 85% van de zwakke werkwoorden met hoge frequentie correct zei, tegenover 47% en 33% voor respectievelijk zwakke werkwoorden met een lage frequentie en sterke werkwoorden. Overgeneralisatie van een andere vorm naar een zwak werkwoord met een hoge frequentie (verleden tijd -/a/ of -/et/) was de meest voorkomende fout bij kinderen van vier jaar. Bij kinderen van acht nam overgeneralisatie naar zwakke werkwoorden met een lage frequentie (verleden tijd -/de/ of -/te/) het over.
Bepaalde lidwoorden worden sneller verworven dan onbepaalde lidwoorden. Bepaalde lidwoorden staan achter het onderwerp, waardoor het lidwoord meer nadruk krijgt dan wanneer het lidwoord voor het onderwerp staat, zoals bij onbepaalde lidwoorden het geval is.
Syntaxis
Kinderen hebben al vroeg (voor het tweede jaar) door dat de woordsvolgorde bij negatie en nominale possessieven op twee manieren kan voorkomen; onderwerp - negatie of negatie - onderwerp en possessief - onderwerp of onderwerp - possessief. Hoewel ze dit systeem vroeg doorhebben, hebben ze een voorkeur voor de minst frequente optie; possessief - onderwerp. Westergaard (2003, 2009) wijst tevens uit dat kinderen ook op zeer jonge leeftijd de woordvolgorde in w-vragen (wie, wat, waar, waarom, hoe) al door hebben. De Object Shift wordt erg laat pas verworven: na het zevende jaar.
Vocabulaire
Uit een grootschalig onderzoek (Norwegian Mother and Child Cohort Study, Magnus et al., 2006) bleek dat een normaalontwikkelend kind met gemiddeld 1;3 jaar zijn eerste woordje zegt, en 1;8 jaar is wanneer hij zijn eerste tweewoorduiting doet. Uit een ander onderzoek bleek dat jongens slechter scoren op woordenschatproductie, woordenschatbegrip, grammaticale complexiteit en imitatie in vergelijking met meisjes (Simonsen, 2013). Meisjes begrepen gemiddeld 8 woorden meer dan jongens. Ook in de productieve woordenschat hadden de meisjes een voorsprong: met 1;8 jaar gebruikten de meisjes 101 woorden en de jongens 69. Zodra de kinderen 3;0 jaar zijn is het verschil minder groot en gebruiken zij beiden ongeveer 650 woorden. Ook de snelle ontwikkeling kwam in dit onderzoek naar voren: 50% van de kinderen van 0;8 jaar begreep minder dan 10 woorden, terwijl 50% van de kinderen van 1;8 tenminste 257 woorden begreep. De kinderen leerden gemiddeld 21 woorden per maand. De woorden die kinderen meestal als eerste uiten zijn mamma, hei (hoi), nam-nam (jammie), pappa, nei (nee), ha det (doei), takk (dankje), bæ (bèh, geluid schaap), voff voff (woef woef).
4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Noors
5 tot 7% van de kinderen in Noorwegen heeft een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Men probeert met behulp van de genormeerde TRAS methode (Tidlig Registrering Av Språkutvikling; vroege registratie van de taalontwikkeling) de kinderen met TOS al in de voorschoolse opvang te ontdekken. De TRAS is een samenwerkingsproject van een aantal pedagogische instituten en onderwijscentra en dient in eerste instantie als preventieve ondersteuning van taalzwakke kinderen. Ondersteunend materiaal bij taalzwakke kinderen van twee jaar bestaat onder anderen uit begeleidende prentenboeken, methodes om woorden samen te stellen en lichaamsdelen te benoemen en de SATS. De SATS (Screening Av Toåringers Språk; screening taalgebruik van tweejarigen) is een uit drie delen bestaande methode om interactie over dingen uit het dagelijks leven te stimuleren. Bij kinderen van ongeveer 4 jaar wordt er gebruik gemaakt van SPRÅK 4 (TAAL 4), waarbij de focus ligt op inhoud, articulatie, zinsopbouw en woordenschat. Uit onderzoek is ook gebleken dat de taal- en communicatievaardigheden kunnen worden voorspeld aan de hand van de motorische vaardigheden op een leeftijd van 1;6 jaar. De sterke correlatie (0,72) onderbouwt de hypothese dat taal- en motorische problemen beiden manifestaties zijn van een onderliggende neuro-ontwikkelingsstoornis (Wang et al., 2012).
Simonsen en Bjerkan (1998) hebben een onderzoek uitgevoerd naar het soort fouten dat kinderen met een taalontwikkelingsstoornis maken bij de verleden tijd. Hieruit blijkt dat het verwerven van de verleden tijd op eenzelfde manier werkt bij kinderen met TOS als bij normaal ontwikkelende kinderen, maar dat deze verwerving vertraagd is. Individuele kinderen hebben individuele foutenpatronen, dit patroon is te zien bij het overgeneraliseren. TOS-kinderen en normaal ontwikkelende kinderen overgeneraliseerden bepaalde categorieën verleden tijd (laagfrequente zwakke, hoogfrequente zwakke of sterke werkwoorden). Wanneer een kind bij slechts één woordgroep beduidend slechter scoort is dit een mogelijk teken voor een taalontwikkelingsstoornis. Ook wanneer een kind ouder dan 6 jaar werkwoorden die in de verleden tijd horen in een andere tijd uitdrukt, kan dit wijzen op een TOS.
Het onderzoek van Karstensen (2014) richtte zich op de sociale kant van specifieke taalontwikkelingsstoornissen. Kinderen met een TOS hebben zwakkere sociale vaardigheden, hebben een negatiever beeld van hun eigen (sociale) vaardigheden en ervaren meer stress in sociale situaties. Deze sociale problemen lijken te verergeren naarmate het kind ouder wordt. Dat de sociale vaardigheden in verband staan met de talige is duidelijk, of dit een causaal verband is niet.
Uit het onderzoek van Magnus et al. (2006) blijkt dat een Noorse kind met een TOS met gemiddeld 1;8 jaar zijn eerste woord zegt. Om het in perspectief te brengen: normaal ontwikkelende Noorse kinderen doen dit met 1;3 en Noorse kinderen met autisme met 1;5 jaar. Noorse kinderen met TOS zijn gemiddeld 2;6 jaar als ze hun eerste tweewoorduiting doen, normaal ontwikkelende kinderen zijn gemiddeld 1;8 en kinderen met autisme 2;2. In onderstaande tabel is af te lezen dat 2,1% van de driejarige kinderen met TOS lange, complexe zinnen van meer dan 10 woorden uit, in vergelijking met 72,5% bij normaal ontwikkelende kinderen. Van de vierjarige kinderen met TOS was dat 14,0%, tegenover 88,2% normaal ontwikkelende kinderen. Uit het onderzoek blijkt ook dat kinderen met een taalontwikkelingsstoornis een kleinere woordenschat hebben: 35,4% van de driejarigen heeft een woordenschat van meer dan 50 woorden tegenover 94,0% van de normaal ontwikkelende kinderen. Ook bij de grammatica is een discrepantie te bemerken: kinderen met een taalontwikkelingsstoornis scoorden slechter op het vormen van (onregelmatige) meervoudsvormen en verleden tijdsvormen. Ook de vaardigheden van het vertellen van een verhaal blijven in eerste instantie achter. Wel is te zien dat de vierjarigen bezig zijn met een inhaalslag.
Al met al blijkt uit deze gegevens dat bij beide leeftijdscategorieën de kinderen met een taalontwikkelingsstoornis op alle onderzochte gebieden (op de vertelvaardigheid van vierjarigen na) sterk achterlopen op hun normaal ontwikkelende leeftijdsgenoten. Ook blijkt dat met name de lengte van de uitingen, de grammatica en de narrativiteit zich sterk ontwikkelen bij de kinderen met een taalontwikkelingsstoornis, waardoor zij een beetje inlopen op hun leeftijdsgenoten. In hoeverre zij op latere leeftijd vergelijkbaar zijn met hun normaal ontwikkelende leeftijdsgenootjes is helaas niet bekend.
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Er is een aantal belangrijke verschillen tussen de Noorse en de Nederlandse taal, wat kan zorgen voor eventuele transferfouten. Hier moet dus rekening mee gehouden worden wanneer een Noors kind dat Nederlands leert onderzocht wordt op een taalontwikkelingsstoornis. In het Noors is de prosodie, intonatie en toon bij het spreken bijvoorbeeld erg belangrijk om aan te kunnen duiden wat de spreker bedoelt. Voor onderzoekers, logopedisten en linguïsten is het eveneens belangrijk om te weten dat het in de Noorse taal geaccepteerd is dat vrouwelijke zelfstandig naamwoorden mannelijk worden verbogen of andersom. Aan het onderscheid dat wordt gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke zelfstandig naamwoorden wordt dus weinig aandacht geschonken. Voor het gebruik van lidwoorden is het belangrijk om te weten dat bepaalde lidwoorden achter het zelfstandig naamwoord worden geplakt. Dit hoeft bij het gebruik van bepaalde lidwoorden in het Nederlands niet voor problemen te zorgen, omdat wij de en het altijd vóór het zelfstandig naamwoord hebben staan. Wel is het mogelijk dat het kind die betreffende lidwoorden in het Nederlands zou kunnen weglaten, omdat in het Noors enkel de onbepaalde lidwoorden vóór het zelfstandig naamwoord worden geplaatst. Tot slot heeft het Noors veel verschillende dialecten, wat invloed kan hebben op de verwervingsfases. Meer informatie hierover is te vinden in Westergaard (2003).
In onderstaande literatuurlijst is een overzicht gegeven van de bronnen die gebruikt zijn bij het samenstellen van deze pagina. Wanneer u meer wilt weten over het Noors is het aan te raden deze informatie te raadplegen.